''Haadhi Hiya-Soofiyyah'' (Dit is Soefisme)

INLEIDING


Soefisme, benaming voor verschillende mystieke stromingen in de islam (niet te verwarren met de moderne soefibeweging), afgeleid van het woord soef (wol), naar de wollen pijen die de vroegste mystici (soefi's) droegen.

Soefibeweging, een bij het soefisme aanknopende religieuze beweging van de moderne tijd, gesticht door de Indiase mysticus en musicus 1Hazrat Inayat Khan (1882–1927). Kenmerkend voor deze beweging is in de eerste plaats de nadruk die gelegd wordt op het universele in alle religies en op de algemene broederschap: alle godsdiensten hebben een kern gemeen. Deze idee wordt uitgedragen in de zgn. universele eredienst, tijdens welke uit de heilige geschriften van verschillende godsdiensten wordt gelezen. De aanhangers behoeven hun eigen godsdienst niet prijs te geven. Essentieel is daarnaast het mystieke aspect: het zoeken naar de `God in ons’. Door verdieping van het bewustzijn wil de soefi tot een levende relatie met God komen. Geestelijke training en meditatie kunnen hierbij behulpzaam zijn. Inayat Khan onderscheidde in de mens de ziel en het denkvermogen, de 'mind' (zie voor dit begrip de sleutel bij 2Soefi-geneeswijze). Hij beschouwde de ziel als het zuivere bewustzijn dat van goddelijke oorsprong is en dat na dit aardse leven tot God terugkeert. Door het denkvermogen kan de ziel het leven ervaren; het bouwt een eigen wereld op waarin de mens geheel gevangen kan raken. De ziel kan als levengevende bron alle belemmeringen overwinnen en het ware geluk schenken. Die bron zoekt de soefi in meditatie en die kracht roept hij op bij geestelijke genezing. Karakteristiek in het soefisme is voorts een esthetische, met name `muzikale’ inslag: de werkelijkheid wordt opgevat als een `proces van trillingen’ en bijzondere betekenis wordt gehecht aan ‘het ritme’ in het leven van mensen. De Soefi-beweging heeft haar aanhangers in de Verenigde Staten en in verscheidene Europese landen. Het internationale centrum (International Head Quarters of the Sufi Movement) is gevestigd in Genève. In Nederland heeft de Soefi-Beweging ca. 1000 leden; op ca. 20 plaatsen worden `Universele Erediensten’ gehouden. In Katwijk heeft zij een tempel, de ‘Universel’.

1Inayat Khan, Hazrat (Baroda 5 juli 1882 – New Delhi 5 febr. 1927), stichter van de moderne soefibeweging, was een moslim uit India, oorspronkelijk musicus; hij raakte onder de invloed van mystieke stromingen, vooral van Perzische mystiek. Tijdens een reis naar Amerika (1910) hield hij lezingen over muzikale en mystiek-filosofische onderwerpen, wat leidde tot de stichting van de soefibeweging. Hij reisde veel in alle werelddelen en richtte overal, ook in Nederland, afdelingen van zijn beweging op. Hij vestigde zich in Suresnes bij Parijs, waar hij jaarlijks zomercursussen organiseerde die grote belangstelling kregen. In 1923 stichtte Kahn het internationale hoofdkwartier van de soefibeweging te Genève.

WERK: The Sufi message of Hazrat Inayat Khan, 12 dln. (1960–1967).

2Soefi-geneeswijze, een alternatieve geneeswijze die berust op meer algemene soefi-denkbeelden (zie Soefibeweging). Een regelmatige leefwijze, door evenwicht tussen activiteit en rust, en het juiste voedsel zijn voorwaarden voor een goede gezondheid. Daarnaast let een soefi op de wisselwerking tussen lichaam, mind (geest) en ziel. Terwijl elke emotie haar effect heeft op het lichaam, elke lichaamsactiviteit haar effect heeft op denken en voelen, en elke activiteit van lichaam en mind het bewustzijn van de ziel beïnvloedt, is werkelijke gezondheid pas te bereiken wanneer de ziel controle heeft over de mind, en de mind controle heeft over het lichaam. Soefi's verdiepen zich in de esoterische betekenis van de adem en trachten door middel van gerichte ademhalingsoefeningen bovengenoemde wisselwerking positief te beïnvloeden. In een soefi-genezingsbijeenkomst wordt op een abstract niveau, door middel van concentratie en meditatie door de groep, gepoogd een zieke persoon op afstand te genezen van de indruk van ziekte, zodat de van nature in de mens aanwezige geneeskracht onbelemmerd kan functioneren.

1. LEER


Vanaf het ontstaan van de islam waren er individuen die door persoonlijke vroomheid, meditatie, ascese (systematische strenge onthouding van alle zinnelijke genoegens) en het veelvuldig gedenken van God (dzikr) een diepere godsdienstige beleving trachtten te bereiken. Centraal stond hierbij de idee van de liefde voor God, bezongen in de mystieke poëzie. Er ontstonden verschillende stromingen die hun eigen methoden hadden om de liefde voor God te uiten: bijv. door intens godsvertrouwen, door het voortdurend lofprijzen van God, door ascese en intensieve godsdienstoefeningen zoals vasten en bidden. Het doel van deze mystieke oefeningen werd beschreven als het opgaan in Hem, met verlies van eigen identiteit (zie fana’ ).

De mysticus al-Halladj (gest. 922) drukte deze ervaring uit met de volgende versregel:
Ik zag mijn Liefde (God) met de ogen van mijn hart. En Hij (God) zei: ‘Wie ben je?’ Ik zei: ‘Jij (God)!’’

De eenwording met God en de daarmee samenhangende extase (toestand van buiten zichzelf te zijn) werden vaak beschreven in termen van dronkenschap en roes.

dhikr (Arab., = herinnering of vermelding), in de islam de voortdurende herhaling van een van de namen van God, al of niet vergezeld van ritmische ademhalingen en bepaalde lichaamshoudingen, wordt individueel of in groepen, m.n. in de broederschappen van de derwisjen, beoefend. Het gebruik is gebaseerd op de koran: ‘O gij, die gelooft, gedenkt Allah in veelvuldige gedenking’ (soera 33:41).
`
2. ONTWIKKELING


De Koran (en de Soennah) biedt slechts weinig aanknopingspunten voor mystieke beschouwing, maar naarmate de islam zich uitbreidde naar oost en west, groeide in islamitische kringen de invloed van de Indische en christelijke mystiek. In de 10de en 11de eeuw schreven mystici als al-Kalabadzi (gest. 990), al-Koesjairi (gest. 1074), al-Hoedjwiri (gest. 1071) de eerste handleidingen voor het soefisme. De opgave van de mysticus werd voorgesteld als het volgen van een pad dat langs verschillende halteplaatsen (makam) tot eenwording (het zich tot een eenheid ontwikkelen) met God leidt.

Spirituele oefeningen geconcentreerd rond bepaalde deugden (bijv. inkeer en berouw, godsvertrouwen, wereldverzaking, nederigheid, geduld) onder leiding van een gids (sjeich, moersjid, pir) konden de mystieke reiziger op (moerid, derwisj, fakir) van halteplaats tot halteplaats brengen. Bij elke halteplaats behoort een dieper bewustzijn (hal) dat God de mysticus kan verlenen. Dit wordt vaak beschreven in termen van het wegnemen van sluiers die het zicht op de werkelijkheid belemmeren. Het einde van de weg, het opgaan in God, gaat gepaard met een intuïtief (innerlijk aanschouwend) doorzien van de werkelijkheid. Vaak verleent God in dat geval ook de gave wonderen te verrichten.

Bepaalde stromingen in het soefisme stelden de door mystieke ervaringen verkregen kennis hoger dan de kennis ontleend aan de openbaring, met het gevolg dat zij minder belang hechtten aan het naleven van de islamitische plichtenleer (koran en soennah). De hoofdstroom ging er echter vanuit dat het volgen van de islamitische wet de basis voor mystieke ervaring vormde. Een van de belangrijkste theoretici van dit orthodoxe soefisme was de Perzische geleerde en mysticus Aboe hamid Mohammed Al-Ghazali (gest. 1111)

Aboe Hamid Mohammed Al-Ghazali, in het Westen ook Algazel genoemd (Toes, Noordoost-Perzië, 1058 - aldaar 19 dec. 1111), Perzisch geleerde, een van de voornaamste theologen en mystici van de islam, doceerde te Bagdad totdat hij in 1095 een geestelijke crisis doormaakte. Nadien leidde hij in alle afzondering een zwervend leven, was in 1105 korte tijd leraar te Nisjapur, maar trok zich toen met enige leerlingen definitief terug te Toes om zich te wijden aan de mystiek, die door hem een blijvende plaats in de islam heeft gekregen (zie soefisme).

Hij achtte liefde en ascese noodzakelijk om ware kennis te verwerven.

WERK:Ihja oeloem al-Din (= De verlevendiging van de wetenschappen van het Geloof); al-Moenqidh min al-dalal (= De redder uit de dwaling);

In de 13de eeuw ontwikkelde de uit het islamitische Spanje afkomstige Ibn al-Arabi (gest. 1240 zie ook
Ibn al-Arabi) de theorie dat God zich door middel van zijn eigenschappen in de schepping manifesteert en op deze wijze een is met Zijn schepping. Deze leer, aangeduid met de term ‘eenheid van het bestaande’ (wahdat al-woedjoed), gaf de mogelijkheid van eenwording en opgaan in God een theoretisch fundament.

Vanaf de 12de eeuw werd het soefisme een massabeweging. Er ontstonden ordes of broederschappen (tarika, weg) elk gebaseerd op een bepaalde mystieke methode die toegeschreven wordt aan een beroemd mysticus waaraan de orde ook zijn naam ontleent (zie ook derwisj).

derwisj (Perzisch, = arme bedelaar; syn. met Arab. fakir), benaming voor de leden van sommige mystieke orden in de islam (zie soefisme), die via individuele geestelijke oefeningen en groepsbijeenkomsten (dhikr) de eenheid met God trachten te bereiken. in het soefisme, de islamitische mystiek, is het ook de benaming van de bedelmonnik (ook derwisj genoemd) die afstand doet van alle aards bezit en zich hiervoor geheel op Allah verlaat.

Veelal trokken de derwisjen al biddend en bedelend door het land. Zij zijn georganiseerd in broederschappen (tarika), zoals de bektasjijja en mevlevi, en komen in de gehele islamitische wereld voor, van Indonesië tot Marokko.

De activiteiten van deze tarika's zijn vaak geconcentreerd in gebouwencomplexen (ribat, zawia, chanakah) waar de sjeichs, de geïnitieerde broeders en de novicen samenleven en die als centra fungeren voor mystieke bijeenkomsten en festiviteiten
(hadra, dzikr), waar door middel van het veelvuldige herhalen van de namen van God, ritmische bewegingen en soms muziek en dans een extase bereikt wordt. Deze verbreiding van het soefisme gaat ook gepaard met heiligenverering: de stichters van de ordes en andere vooraanstaande sjeichs, van wie overgeleverd is dat ze wonderen verricht hebben, worden als heiligen vereerd en hun wordt om bemiddeling bij God gevraagd.

Citaat:
Degene die bemiddelaars neemt tussen zichzelf en Allaah en hen smeekt, hen vraagt voor bemiddeling en op hen bouwt en vertrouwt begaat met een consensus van de geleerden ongeloof (Koefr). (bron: de tenietdoeners punt 2.)

Allaah de Meest Verhevene zegt:

“Voorwaar, Allaah vergeeft niet dat aan Hem deelgenoten worden toegekend, maar Hij vergeeft daarnaast wat Hij Wil, voor wie Hij wil.” [Soeratoen-Nisaa'a (4): 48, 116]

En het bewijs tegen bemiddeling (via awliyaa) is de uitspraak van Allaah, de Allerhoogste:

En zij aanbidden naast Allaah dingen die hen niet schaden en hen niet baten, en zij zeggen: Dit zijn onze bemiddelaars bij Allaah.

Wie dus iets van zijn ‘ibaadah (aanbidding) naar een ander dan Allaah verricht is een Kaafir (ongelovige) en Moeshrik (godenaanbidder)!

Het bewijs hiervoor is Ta'ala's Uitspraak:

En wie een andere Ilah (god) aanroept (aanbidt) naast Allaah, waarvoor hij geen bewijs heeft: dan is zijn afrekening bij zijn Heer alleen. Voorwaar, de kaafiroen (ongelovigen in de Eenheid van Allaah, polytheisten, ellendigen, heidenen, godenaanbidders) zullen niet slagen. (Al-Môminoen: 117)

[Het bewijs] vanuit de hadieth is (deze uitspraak van de Profeet salaallaahoe `alayhie was sallem): “De smeekbede (Doe’a) is het brein van de aanbidding!”
Soefi-ordes bestaan nog steeds in vrijwel de gehele islamitische wereld. Hoewel ze in Turkije in 1925 bij de wet verboden verklaard zijn, worden zij daar nu weer oogluikend toegelaten.

Het soefisme is een essentieel onderdeel van de islam. Het biedt moslims de mogelijkheid tot een meer emotionele beleving van hun godsdienst dan de meer op de wet georiënteerde vormen van de islam. Hoewel ook veel godsdienstgeleerden soefi's waren, bestaat er toch een spanning tussen bepaalde praktijken en opvattingen van het soefisme en de orthodoxe islam. Dit geldt o.m. voor muziek en dansen tijdens soefi-bijeenkomsten, voor de heiligenverering en de daarbij behorende rituelen en pantheïstische opvattingen ( ‘alles is God, ook de mens’) die ten onrechte van de theorie van Ibn al-Arabi afgeleid werden.

Naksjabandijja, een islamitische mystieke derwisj-orde (zie soefisme), in de 14de eeuw gesticht door Mohammed ibn Mohammed Baha al-Din al-Boechari, die aanvankelijk vooral onder de Turken in Centraal-Azië grote verspreiding vond.


Zie ook; http://as-soofiyyah.blogspot.com/

Reacties:

0 reacties:

Een reactie posten